Freerunning Parcours
Aanlopen en Inspringen tijdens het parcours
Beginnend

Legt het parcours in laag tempo af. Zoekt naar balans.

Ontwikkelend

Legt het parcours in hoog tempo af. Loopt en springt in balans.

Gevorderd

Legt het parcours in zeer hoog tempo af. Is altijd in balans, ook bij hoge snelheid en moeilijke tricks

Afzetten
Beginnend

Zet traag af. Maakt weinig gebruik van de afzetmogelijkheden van de afzetvlakken. Kijkt steeds naar de afzetvlakken.

Ontwikkelend

Zet actief af. Maakt gebruik van de afzetmogelijkheden van de afzetvlakken. Kijkt naar voren.

Gevorderd

Zet explosief af. Afzetmogelijkheden sluiten aan bij lopen en springen. Kijkt vooruit naar de nog te volgen route.

Zweven
Beginnend

Heeft tijd en ruimte voor eenvoudige tricks. Zweeft laag door de lucht. Overbrugt een obstakel met gebruik van handen, voeten en/of romp. Draait niet of onvolledig.

Ontwikkelend

Heeft tijd en ruimte voor moeilijke tricks. Zweeft hoog aan naar of af, van obstakels. Draait volledig.

Gevorderd

Heeft tijd en ruimte voor zeer moeilijke tricks. Zweeft hoog aan naar of af, van obstakels. Stelt het draaien uit.

Landen, afrollen en doorlopen
Beginnend

Landt instabiel. Heeft na het landen een rustmoment nodig voor het afrollen en doorlopen.

Ontwikkelend

Landt stabiel bij eenvoudige tricks. Zet de landing bij eenvoudige tricks direct om naar afrollen en doorlopen.

Gevorderd

Landt stabiel bij zeer moeilijke tricks. Zet de landing bij zeer moeilijke tricks direct om naar afrollen en doorlopen.