Frans

Rubriek voor gespreksvaardigheid op niveau A2 bij leerjaar 2, 3 of 4 van het voortgezet onderwijs (vmbo, havo, vwo). Deze rubriek meet het vermogen om te kunnen communiceren in een realistische situatie op A2 niveau . De rubriek kan gebruikt worden bij alle moderne vreemde talen. 

  A1 A1+ A2 A2+
Taakgeslaagdheid (deze categorie wordt holistisch beoordeeld en bepaald het eindniveau)

Kan enkele eenvoudige dagelijkse vragen beantwoorden met ja of nee. Kan een paar korte vragen stellen, maar is vaak afhankelijk van compensatiemiddelen zoals gebaren, gezichtsuitdrukkingen en bepaalde intonaties.

Kan eenvoudige vragen stellen en beantwoorden, en eenvoudige uitspraken doen en beantwoorden op het gebied van primaire behoeften of over zeer vertrouwde onderwerpen.

Kan redelijk gemakkelijk interactief zijn in gestructureerde situaties en korte gesprekken, mits de ander helpt als dat nodig is. Kan eenvoudige routinegesprekken voeren zonder bovenmatige inspanning. Kan vragen stellen en beantwoorden, en ideeën en informatie uitwisselen, over vertrouwde onderwerpen in voorspelbare alledaagse situaties die te maken hebben met werk en vrije tijd. 

Kan zeer korte sociale gesprekken voeren maar is zelden in staat genoeg te begrijpen om uit zichzelf de conversatie gaande te houden.

Kan korte sociale gesprekken voeren over belangwekkende onderwerpen in een alledaagse context. Kan in eenvoudige bewoordingen uitdrukken hoe hij of zij zich voelt en dank uitspreken. Kan om een gunst vragen (bijvoorbeeld om iets te lenen), of suggesties doen.

Kan over het algemeen heldere, tot hem of haar gerichte gesproken standaardtaal begrijpen over vertrouwde zaken, mits hij of zij af en toe om herhaling of herformulering kan vragen.

Pragmatische en sociolinguïstische competentie

Kan elementair sociaal contact leggen door gebruik te maken van de eenvoudigste alledaagse beleefdheidsvormen.

Kan zeer korte sociaal contact leggen door gebruik te maken van de eenvoudigste alledaagse beleefdheidsvormen.

Kan korte sociale contacten hanteren en daarbij gebruik maken van alledaagse beleefdheidsvormen.

Kan op eenvoudige maar doeltreffende wijze sociale contacten aangaan met gebruikmaking van de eenvoudigste gangbare beleefdheidsvormen en uitdrukkingen en door elementaire routines te volgen.

Interactie

Kan vragen stellen en beantwoorden over persoonlijke gegevens. Kan op een simpele manier interactief zijn maar de communicatie is totaal afhankelijk van herhaling, herformulering en correcties.

Kan heel eenvoudig communiceren, maar communicatie is volledig afhankelijk van het iets langzamer herhalen, herformuleren of corrigeren.

Kan vragen beantwoorden en reageren op eenvoudige uitspraken. Kan aangeven wanneer hij of zij het gesprek volgt maar is zelden in staat genoeg te begrijpen om uit zichzelf de conversatie gaande te houden.

Kan eenvoudige vragen stellen en beantwoorden, eenvoudige uitspraken doen of reageren op eenvoudige uitspraken van anderen over bekende of onmiddellijke behoeften. Kan zeggen dat hij/zij het niet begrijpt en kan de interviewer op eenvoudige wijze om hulp vragen.

Communicatieve strategieën

Kan aangeven wat hij of zij bedoelt door het aan te wijzen ('Een van deze, alstublieft').

Kan aangeven wat hij of zij bedoelt door het aan te wijzen ('Een van deze, alstublieft') en door om herhaling te vragen.

Kan communicatie in stand houden door: - aandacht te vragen; - te zeggen dat hij of zij iets in het gesprek niet kan volgen; - te vragen om een langzamer spreektempo, herhaling of uitleg, eventueel met behulp van gebaar en mimiek - gebruik te maken van 'fillers', zoals 'na ja', 'ehm', en stopwoorden zoals 'soort van', 'kijk' enz. 


Kan daarbij de betekenis van een niet passend woord met gebaren verduidelijken. Kan redelijk gebruik maken van een overkoepelend begrip ('fruit' voor 'orange'). Kan een woord uit de moedertaal ‘verbuitenlandsen’ en om bevestiging vragen. Kan een woord in andere woorden beschrijven.

Taalmiddelen

Heeft een zeer beperkt repertoire van individuele woorden en zinnen die, in combinatie met gezichtsuitdrukkingen en gebaren, voldoende is om elementaire spraakintenties te realiseren, zoals groeten, bevestigen, ontkennen, vragen (wat, wanneer en waar).

Gebruikt een paar grammaticale constructies, maar nauwelijks volgens de regels.


Heeft een zeer elementaire woordenschat die bestaat uit geïsoleerde woorden en eenvoudige uitdrukkingen met betrekking op persoonlijke gegevens en bepaalde concrete situaties.

Toont slechts beperkte beheersing van enkele eenvoudige grammaticale constructies en zinspatronen in een geleerd repertoire.

Beschikt over voldoende woordenschat, uitdrukkingen en zinsconstructies om zich te redden bij primaire levensbehoeften.

Gebruikt een aantal eenvoudige constructies correct, maar maakt nog stelselmatig elementaire fouten – bijvoorbeeld door verschillende tijden door elkaar te gebruiken en niet te letten op congruentie; toch is meestal wel duidelijk wat hij of zij probeert te zeggen.

Beschikt over voldoende woordenschat, uitdrukkingen en zinsconstructies om alledaagse handelingen uit te voeren die betrekking hebben op vertrouwde situaties en onderwerpen

Uitspraak en vloeiendheid

De uitspraak van een zeer beperkt repertoire van geleerde woorden en zinsdelen is met enige inspanning verstaanbaar voor moedertaalsprekers die gewend zijn om te gaan met sprekers uit zijn of haar taalgroep.

Kan zeer korte, geïsoleerde, voornamelijk kanten-klare uitingen hanteren, met veel pauzes om naar uitdrukkingen te zoeken, minder vertrouwde woorden uit te spreken en de communicatie te herstellen.

De uitspraak van een zeer beperkt repertoire van geleerde woorden en zinsdelen is met goed verstaanbaar voor moedertaalsprekers die gewend zijn om te gaan met sprekers uit zijn of haar taalgroep.

Kan sommige woorden en zeer eenvoudige zinnen combineren, maar heeft daarvoor veel tijd nodig en moet vaak opnieuw starten.

De uitspraak is over het algemeen voldoende helder om te worden verstaan ondanks een merkbaar buitenlands accent, maar gesprekspartners zullen af en toe om herhaling moeten vragen.

Kan voor korte interacties zeer korte zinsdelen over vertrouwde onderwerpen met voldoende gemak gebruiken, ondanks heel duidelijke aarzelingen en valse starts.

De uitspraak is over het algemeen voldoende helder om te worden verstaan.

Kan eenvoudige gememoriseerde zinnen en zinnen snel genoeg aanpassen aan nieuwe situaties om zich verstaanbaar te maken in routinematige gesprekken, hoewel hij/zij natuurlijk vaak struikelt en opnieuw moet beginnen of herformuleren.


Intonatie

Log in om deze rubric te printen
of binnen jouw account aan te passen.