Lichamelijke opvoeding (LO)

Deze rubric beschrijft drie basisvaardigheden bij softbal in de brugklas: werpen, vangen en honklopen. 

  Level 1
Level 2
Level 3
Level 4
Level 5
Werpen

Ik kan de bal werpen richting een medespeler met een bovenhandse strekworp.

Ik gooi de bal minimaal 2 van de 5 keer in de handen van een medespeler met een bovenhandse strekworp over een afstand van 10 meter.

Ik gooi de bal minimaal 4 van de 5 keer in de handen van een medespeler met een bovenhandse strekworp over een afstand van 10 meter.

Ik gooi een strakke bal over verschillende afstanden in de handen van een medespeler.

Ik gooi een strakke bal over verschillende afstanden in de handen van een medespeler, waarbij ik rekening houd met de ontvanger. Daarbij help ik anderen om beter te worden.

Vangen

Het lukt me niet een goed aangegooide bal te vangen over een afstand van 10 meter.

Ik vang minimaal 2 van de 5 keer een goed aangegooide bal over een afstand van 10 meter.

Ik vang minimaal 4 van de 5 keer een goed aangegooide bal vangen over een afstand van 10 meter.

Ik vang een strak en goed aangegooide bal over verschillende afstanden, waarbij het lichaam zich achter de bal bevindt en ik vang op schouderhoogte.

Ik vang ook moeilijk aangegooide ballen en help anderen om beter te worden

Honklopen

Ik haal vaak het volgende honk niet.

Ik stop bij het halen van een honk.

Ik houd de ingespeelde bal in de gaten en loop door als het kan. Ik dreig niet met doorlopen.

Ik houd de ingespeelde bal in de gaten en loop door als dat kan. Ik dreig met doorlopen en ik weet wanneer ik terug moet lopen.

Ik loop altijd door indien mogelijk. Ik weet ook wanneer ik terug moet lopen. Ik dreig ook met doorlopen en daag de veldpartij uit om fouten te maken. Ik help anderen door ze te coachen.

Log in om deze rubric te printen
of binnen jouw account aan te passen.