Lichamelijke opvoeding (LO)

De rubric geeft een beschrijving van de geledingen (in de zwaai komen, in de zwaai blijven, uit de zwaai komen) van het strekhang zwaaien voor klas 1. Als extra is het maken van een 1/2 draai beschreven. Ook wordt er een beschrijving gegeven van hulpverlenen. Het doel van ringzwaaien: De leerlingen kan een zwaaiserie ontwikkelen waarbij de zwaaibeweging voldoende worden afgemaakt en de leerling met hulpverlening uit de ringen kan afspringen. 

  Level 1
Level 2
Level 3
Level 4
In de zwaai komen

Je hebt komt in de zwaai (kleine zwaai beweging)door veel hulp van een klasgenoot of je hebt meer dan 1 voorzwaai nodig om lopend vaart te maken.

Je komt in de zwaai (kleine zwaai beweging) door een opzetje van een klasgenoot/door 1 voorzwaai en hebt een extra zwaai beweging nodig om echt tot zwaaien te komen.

Je komt met een opzetje van een klasgenoot of met 1 voorzwaai gelijk in de zwaai(grote zwaai beweging) en kan gelijk verder met zwaaien.

Je komt zelf met 1 voorzwaai in de zwaai (grote zwaai beweging) en kan de zwaai gelijk vergroten.

In de zwaai blijven

Jouw zwaai bewegingen blijven klein en het lukt nog niet om de zwaai te vergroten

Jouw zwaai bewegingen beginnen klein en het lukt door 2 of meer passen op de matten om de zwaai beweging te vergroten.

Jouw zwaai bewegingen zijn groot en je maakt de beweging in de voor en achter zwaai af (komma)af, hierdoor blijf je makkelijk in de zwaai. Tussen de voor en achter zwaai lukt het om soms met het 2 pas ritme meer vaart te maken.

Jouw zwaai bewegingen zijn groot en je maakt de beweging in de voor en achter zwaai af (komma), tussen de voor en achter zwaai maak je altijd een 2 pas ritme waardoor je zwaai nog meer vergroot.

Uit de zwaai komen

Je komt uit de zwaai door te slepen.

Je komt uit de zwaai door de zwaai bewegingen te verkleinen en op een lagere hoogte achter uit te springen. Het moment van springen is soms op het 'dode punt'.

Je komt elke keer uit de zwaai, door op het 'dode punt' los te laten waardoor je recht land op de mat. Dit doe je op een lagere hoogte.

Je komt elke keer uit de zwaai door op het 'dode punt' los te laten, hierdoor land je recht op de mat. Dit lukt jouw ook uit hogere zwaai bewegingen.

Extra: 1/2 draai in & uit.

Het lukt niet om in de zwaai bewegingen een draai te maken.

Je kan een 1/2 of hele draai maken in de zwaai, maar daarna verlies je controle over de zwaai en moet je veel corrigeren.

Je maakt de 1/2 of hele draai op het 'dode punt'. Dit doe je actief en je kan door gaan met zwaaien.

Je maakt de 1/2 draai of hele draai net voor het 'dode punt', je draai versneld de zwaai beweging. Je kan gelijk door met zwaaien.

Hulpverlenen

Je vangt helemaal niet tijdens het zwaaien van een klasgenoot.

Je staat actief klaar voor het vangen, maar je timing van vangen is niet altijd goed. Je bent te laat met het vast klemmen.

Je staat actief klaar, je loopt mee met de zwaaibewegingen en je timed goed. Je hebt elke keer de zwaaier vast.

Je staat actief klaar, je loopt mee met de zwaaibewegingen en je timed goed. Je hebt elke keer de zwaaier vast. Je geeft de zwaaier tips over hoe de afsprong was.

Log in om deze rubric te printen
of binnen jouw account aan te passen.